dinsdag 15 augustus 2023

Jewish-Hellenistic Epic Poetry

 I just submitted my master's thesis and I decided that I want to share something of my work, so I'm sharing the summary I had to write in English here. If anyone has questions, I'm always happy to talk about this.



donderdag 21 mei 2020

Sterk


Ik ben negen en ze duwen haar. Soms ook mij, maar meestal haar. Ik sta erbij en ik zwijg. Ze huilt en zij lachen. Ik wil ook huilen, maar ik moet sterk zijn voor haar. Ik ben niet sterk genoeg om stop te zeggen, dus moet ik sterk genoeg zijn om te zeggen: “Je bent niet zwak. Je bent niet stom, niet dom. Je mag huilen.” Zij mag huilen, ik niet. Mij duwen ze niet. Ik doe niets en ik zou sterker moeten zijn. Mij duwen ze niet, maar ik voel de handen in mijn buik, hun woorden en hun lach in mijn mond. Ze zijn bitter, maar bitterder zijn de woorden die ik niet heb gezegd: “Ga weg! Laat ons met rust! Waarom? Wij hebben niks misdaan.”

Ik ben niet sterk genoeg, niet genoeg, want zij komt niet meer. Ze kon niet meer tegen de woorden en de duwen en het gelach. Ik ben alleen, maar dat is niet erg. Ik kan ertegen. Ik moet ertegen kunnen, want het zijn maar jongens, het zijn maar woorden, gelach.

Dus ik ben sterk, wanneer ik met mijn benen gespreid sta voor een spel en zij er één na één onderdoor kruipen en lachen: “Hebt gij ook haar onderbroek gezien? Die draagt dus geen shortje onder haar rok!”

Ze kiezen teams tot ik alleen tegenover hen sta. Wie eerst mocht kiezen, roept: “Gij moogt haar hebben!” Mijn team zucht. Ik ben sterk.

“Ik vind dit niet leuk”, zeg ik, en zij duwen me en zeggen: “Ik vind dit niet leuk.” Ik ben sterk.
Zij lachen en hun woorden prikken gaatjes in mij. Er wellen druppels op, maar ik slik ze in. Als ze zouden zien hoe zwak ik ben, zouden ze nog meer gaatjes prikken, tot ik een gaatje ben. Dat deden ze ook bij haar toen ze zagen dat zij niet sterk genoeg was.

Dus sta ik bij de muur of in een hoekje. Ik zet mijn kap op en kijk naar de barsten in de verf. Groot, klein. Zoals de gaatjes. Als ik de anderen niet zie, kan ik doen alsof ik de gaatjes niet voel en misschien zien zij mij dan ook niet en verdwijn ik.

Mama vraagt: “Hoe was het?” Ik zeg: “Goed.” Het is waar, niet? Het zijn maar speldenprikjes en als ik genoeg slik, druppelt er niets uit. Ik ben zwak, maar ik moet sterker zijn, dus ik ga terug, elke zondag, ook al ben ik misselijk, ook al krioelen hun lach en hun woorden en de spelletjes die ik niet wil doen in mijn maag. Ik ga terug en ik verschrompel en ik slik en ik bloed niet leeg. Echt niet.


Ik ben niet boos. Ik ben nooit boos geweest. Ze wisten niet hoe ik ’s nachts soms opkrulde rond een pluchen giraf, kleiner en kleiner, om niet leeg te stromen. Ze wisten niet dat er alleen nog een pit en een schil over waren. Niet genoeg om bitter te zijn.

Ze prikken gaatjes, maar er stroomt niks meer. Ben ik nu sterker?

Ik ben niet boos, maar als ik hen zie, zal ik hen aankijken alsof ze nooit gaatjes hebben geprikt. Alsof ik nooit gaatjes vind waarvan ik niet meer wist dat ze er waren en plots weer klein ben. Alsof ik nooit ben verschrompeld, nooit bitter heb gesmaakt.

Ik zal hen aankijken, en als ze prikken, bloed ik niet.

donderdag 12 september 2019

Een villa met rozen

Willem Elsschot is een naam als een klok en zijn debuut Villa des Roses een klassieker. Meer dan een eeuw na de eerste druk (1913) is het nog steeds de moeite waard om te lezen.
Villa des Roses verhaalt over een pension in Parijs, de ‘villa’, en de kleurrijke gasten die er de revue passeren. Er is de oude madame Gendron die een groot fortuin zou bezitten, er is het nieuwe kamermeisje Louise die o zo plichtbewust is, de heer Martin die zijn rekening niet kan betalen, …
De personages vormen dan ook de ruggengraat van het verhaal. Elsschot portretteert hen uiterst realistisch, met al hun generositeit, maar ook al hun onhebbelijkheden. Hij neemt de tijd om hen stuk voor stuk te schetsen en ze ontwikkelen zich doorheen het verhaal. Al even treffend geeft hij hun onderlinge relaties weer. Zo leert het boek ons ook bij waar dergelijke conflicten toe kunnen leiden. Elsschot beschrijft emoties als vernedering en verliefdheid zonder te overdrijven of te romantiseren. Daarbij tekent hij het leven van de kleine man in Parijs aan het begin van de twintigste eeuw. Toen getuigde het ook van zijn betrokkenheid bij de sociale realiteit. Voor de lezer van nu leest het dus haast als een historisch roman, maar toen was het eigentijds en dat maakt het dubbel interessant voor wie de toenmalige tijdsgeest wil begrijpen, want die schemert ook door in Elsschots stijl.
Elsschot wordt wel eens de eerste kosmopoliet in de Vlaamse literatuur genoemd en dat blijkt ook uit dit boek. Als Vlaming schreef hij over Parijs en bij het verschijnen werd het als 'fris Hollands', 'zuiver Noord-Nederlands' of 'on-Hollands/Frans' betiteld. Bovendien durfde hij over een onderwerp als abortus te schrijven, dat toen nog taboe was. Elsschot vermeldde ook graag dat het verhaal autobiografisch was en dat "die onsympathieke jonge Duitser" hijzelf was. Hij heeft inderdaad een tijdlang in een Parijs pension verbleven in de Rue d'Armaillé en hij schreef het boek op aanvraag van Anna Christina van der Tak, een collega aan wie het boek ook is opgedragen.
Villa des Roses is een boek dat blijft boeien. De eerste hoofdstukken komen wat traag op gang omdat Elsschot de belangrijkste personages één voor één uitgebreid voorstelt. Die overvloed aan informatie is nodig om het verhaal te begrijpen, maar het is ook moeilijk om alle verhalen en namen te onthouden. De gebeurtenissen die zich daarna ontspinnen, boeien echter van begin tot eind en je blijft benieuwd wat er nog zal gebeuren. De herkenbaarheid van de personages en de conflicten draagt daar nog toe bij. De alwetende verteller en de vele personages die hun opwachting maken en elk hun eigen verhaal hebben, creëren dan weer meer afstand.
Tot slot heeft Elsschot een aangename schrijfstijl. Hij schrijft eerder sober, in tegenstelling tot enkele van zijn toen populaire tijdgenoten. Dit past in de traditie van het nieuwe realisme. Elsschot zei zelf ook dat hij klassiek proza wilde schrijven, dat mooi is en mooi zal blijven. Daar is hij zeker in geslaagd. Hier en daar is zijn stijl zelfs relatief plechtig en door zijn keuze voor een alwetende verteller soms afstandelijk, maar dit doet geen afbreuk aan het verhaal. Dat plechtige krijgt de tekst ook door de archaïsche woorden, maar ook voor een moderne lezer blijft de tekst begrijpelijk en is die bovendien leerrijk. Voor sommige woorden is wel uitleg nodig, maar dit is opgelost door de verklarende woordenlijst achteraan.
Villa des Roses heeft dus nog steeds niets van zijn kracht verloren. De personages spatten van het blad, de verschillende verhaallijnen kluisteren je aan de pagina's en dit alles in een aangename stijl. Kortom, een boek als een villa met rozen, maar dan nog niet aangetast door de tand des tijds.